Browsed by
Author: Bos

Het vileine spel van de macht

Het vileine spel van de macht

the favourite Emma Stone
Emma Stone als favoriete Abigail leert op eenden te jagen in de film ‘The Favourite’ van Yorgos Lathimos.

(BOS) ‘The Favourite’ van de Griekse filmmaker Yorgos Lanthimos uit 2018 is een geweldige vrouwenfilm. Drie spectaculaire vrouwenrollen domineren deze vrije interpretatie van de geschiedenis van Queen Anne van Great-Brittain (1665-1714) en haar favoriete Sarah Churchill, hertogin van Marlborough die, vanwege de zwakke gezondheid van de koningin, allerlei regeringstaken moest overnemen en daarmee macht verwierf. Onaantastbaar is de positie van Sarah (Rachel Weisz), tot het moment dat het dienstmeisje Abigail (Emma Stone) verschijnt en zich slim en vilein weet te manoeuveren tussen Sarah en de labiele koningin (een fantastische rol van Olivia Colman). De twee favorietes bestrijden elkaar tot op het bot en in bed toe. In dat vileine spel zijn de drie volledig aan elkaar gewaagd, zowel in het script als in werkelijkheid als actrices.
In dat machtsspel spelen seksuele relaties een doorslaggevende rol, wat ook in historische zin zo is geweest, gezien hun deels bewaarde briefwisseling. Ook in dat opzicht beconcurreren beide favorietes elkaar door Anne steeds weer op hun hand te krijgen door haar met enige regelmaat seksueel te bevredigen. Waarmee Sarah Anne probeert de chanteren.
En dan is er nog de verrassende manier waarop de film in elkaar is gezet, de consequente uitwerking in tempo en standpunten (vaak opvallend laag), de beeldhoeken, de geraffineerde belichting, de effectieve gebruik van close ups, de originele constructie, het gebruik van een groothoeklens, de kostuums, inclusief de eendenraces en de 17 konijnen die de slaapkamer van de koningin bevolken. Hoe een tamelijk dun verhaal zo prachtig kan worden uitgebouwd.

Het historische decor van Hatfield House in Hertfordshire uit de Tudor-tijd en de Tudor-keukens van Hampton Court Palace bij Londen vormt een sfeerbepalende achtergrond. Wie het idee krijgt dat The Favourite als historische kostuumfilm in de dialogen onhistorisch grof en eigentijds lijkt te zijn, zou de dagboeken van Samuel Pepys (1633-1703) moeten lezen. Hij was thuis aan het hof en beschreef tussen 1660 en 1690 hoe men aan het hof van Charles II, de oom van Queen Anne, met elkaar omging, de verbazende openhartigheid over seksualiteit en lichamelijke functies zowel bij hemzelf als bij de machthebbers.
En dan de muziekscore van de film, van verrukkelijke barokmuziek tot Schubert (voor de meer gevoelige scènes) en vooral de geluiden van muziekinstrumenten die de verschillende hoofdstukken sfeer en betekenis verlenen. The Favorite is een opmerkelijke, vooral grappige en enerverende filmervaring. Een lekker anarchistische weergave van het ogenschijnlijk stijve Britse hofleven in de 17de eeuw.
De twee uur die de film duurt, vliegen voorbij.

Vanuit de lijn en vanuit de vlek

Vanuit de lijn en vanuit de vlek

arno-kramer-tek-2014-016
Arno Kramer. Tekening, 2016

(BOS) Kunstenaar en docent Gouke Notebomer leerde tijdens zijn leven de studenten van Academie Minerva in Groningen tekenen. Niet alleen met potlood een vorm schetsen als oefenmateriaal voor een uiteindelijk schilderij, maar tekenen als doel op zich. Om vervolgens te ontdekken dat het zetten van een lijn, breed, dun, grijs of zwart, meanderend, recht of krom, een avontuur op zich is. Dat een potloodlijn een verhaal kan vertellen en een boeiend spoor kan trekken op een wit of getint stuk papier. Ineens werd de lijn zelf een vorm. Op dezelfde manier gebruikte je dergelijke lijnen ook om model te tekenen, een portret, een voorwerp of een landschap, een abstracte compositie.
Of we leerden met krijt of houtskool tekenen. Niet vanuit de lijn, maar vanuit de vlek. Hoe je heel schilderachtig kunt tekenen waarbij uit lichte en donkere tonen vormen worden geboren. De manier en de techniek van het tekenen is dus minstens zo boeiend als het bereiken van een mooi eindbeeld. De magie van vingers die met een voorwerp een patroon krassen op een ondergrond, is een van de oudste, meest menseigen manieren om te laten zien dat je bestaat.
Gek genoeg leer je niet meer tekenen op kunstacademies, hoogstens als middel, maar niet meer als doel. Toch zijn er jonge kunstenaars die het avontuur aangaan en zelfstandig het hoogste niveau van tekenen bereiken, zoals Barbara Helmer uit Rotterdam die kan toveren met een potlood en bij wie je alle mogelijkheden van het materiaal kunt ontdekken. Haar tekeningen, abstract of figuratief, bestaan uit potloodlijnen en krassen waarbij het potlood soms als een donszacht penseeltje wordt gebruikt.
Arno Kramer wordt door de meeste jonge tekenaars als een groot voorbeeld gezien met zijn monumentale aan arte povera verwante wnadgrote tekeningen. En dan is er nog Juul Krayer uit Assen, een kunstenaar die virtuoos met lijnen en spatten in de weer is en de expressieve mogelijkheden van het materiaal in dienst stelt van haar verhaal. En er zijn houtskoolkunstenaars, zoals de Rotterdamse Renie Spoelstra bij wie het houtskool de prachtigste, duistere voorstellingen kan creëren.
Het tekenen is verre van dood. Virtuositeit en vakmanschap houdt het levend. En dan zijn er nog enkele musea, zoals De Buitenplaats in Eelde die af en toe zo’n grote tekenaar een podium biedt. Het zou alleen meer moeten gebeuren en op meer plaatsen. Tenslotte haalden de door ons bewonderde grote kunstenaars en beeldhouwers uit het verleden hun kracht uit een grondige kennis van de tekentechniek.

Deze tekst verscheen ook
in het sept/okt nummer
van de KunstKrant 2018

Koortsachtig aan het werk

Koortsachtig aan het werk

Paula_Modersohn-Becker_015
Moorkanal mit Torfkähnen (ca 1900) tempera op karton (36x51cm)

(BOS) In Museum Twenthe in Enschede is tot en met 12 augustus 2018 een tentoonstelling te zien met werk van de Duitse expressioniste Paul Modersohn-Becker (1876-1907). De nadruk ligt op de Parijse jaren van de in Worpswede werkende en wonende kunstenaar. Tussen 1900 en 1907 verbleef ze vier keer in de Franse hoofdstad, dat toen het centrum was van de Europese vernieuwing in de kunsten. Haar leven was dramatisch kort, ze stierf op 31-jarige leeftijd in het kraambed.

Alsof ze dat voorvoelde, werkte ze vanaf 1898 koortsachtig aan haar ontwikkeling. Als keurig opgevoed meisje uit een gezin in Bremen, verhuisde ze naar de kunstenaarskolonie in Worpswede waar het vreemde veenlandschap de belangrijkste inspiratiebron vormde. Ze wilde niet de schoonheid van het Worpsweder landschap schilderen, dat deden haar mannelijke collega’s al. Het ging haar om het karakter der dingen, het leven van de arme bevolking, turfstekersgezinnen, vrouwen en kinderen die onlosmakelijk onderdeel waren van hun primitieve wereld. Geboorte, bloei en dood.

Paula Modersohn-Becker was bevriend met de beeldhouwer Clara Westhof en met de onconventionele dichter Rainer Maria Rilke. Ze trouwde in 1901 met de Worpsweder schilder en weduwnaar Otto Modersohn, voor wiens dochtertje ze zorgde. Het afgelegen leven in Worpswede begon haar echter al snel te benauwen. Ze wilde meer, weg uit het drukkende gezinsleven, weg van de ontmoedigende kritiek van haar Worpsweder collega’s die weinig van haar manier van schilderen begrepen. Clara Westhof was naar Parijs vertrokken om op de beeldhouwschool van Rodin te studeren. Dat was voor Paula Modersohn-Becker het signaal. Op nieuwjaarsavond 1900 stapte ze in de trein naar Parijs en logeerde bij Clara in een hotel aan de Boulevard Raspail.

Tijdens de vier verblijven in Parijs huurdeze een atelierruimte en stapte hongerig en dorstig de ene kunsthandel na de andere binnen waar ze voor het eerst Cézannes en Gauguins zag. Ze keek met open mond in het Louvre rond, volgde modelschilderlessen aan de Académie Julian, maakte kennis met Egyptische Fayoumportretten en Indische sculpturen, deed allerlei ideeën op. Haar stijl veranderde, haar composities werden robuuster, monumentaler. Haar werk kreeg meer focus en nog meer uitdrukkingskracht. De prachtige manier waarop ze altijd pasteus en gelaagd werkte werd nu aangevuld met een groeiend zelfbewustzijn en de overtuiging dat ze eindelijk op de weg was beland die ze altijd al had willen gaan. Het zijn juist die spannende Parijse jaren en de metamorfose die dat bewerkstelligde waar in het Rijksmuseum Twenthe de naduk op wordt gelegd.

Dit artikel werd gepubliceerd in
de KunstKrant juli/augustus 2018

Het zwijgen van de sfinx

Het zwijgen van de sfinx

Neo Rauch - Schopfer - 2002Neo Rauch: ‘Schöpfer’ (2002) olieverf op doek. copyright: 2018 – Museum De Fundatie, Zwolle

(BOS) Waar gaan de schilderijen van de in zijn land bejubelde Duitse kunstenaar Neo Rauch over? Raadsels worden ze genoemd. Toverdoeken. Dat is nogal wat. Zijn stijl doet sterk denken aan science fiction stripverhalen uit de jaren ’40 en ’50 over vliegende schotels en totalitaire regimes in een robotmaatschappij. In zijn latere, kleurige werk krijgt een romantisch verontrustende atmosfeer de overhand. Abstracte kunst en figuratie ontmoeten elkaar en de spanning die daaruit ontstaat mondt uit in een visuele rondedans. Alles ziet er min of meer herkenbaar uit, maar als totaal toont het een vreemde wereld waarbij we, als we voor zijn schilderijen staan, vergeefs zoeken naar een verband, naar betekenis, naar het waarom.

Over de betekenis en het waarom laat de weinig spraakzame en verlegen Neo Rauch (Leipzig, 1960) zich liever niet uit, zo werd duidelijk tijdens de persconferentie waar hij vragen beantwoordde. In zijn présence straalt hij dezelfde sfinx-achtigheid uit die ook zijn werk kenmerkt. Zijn oudste schilderij op de tentoonstelling in Museum De Fundatie uit 1993, heet Dromos. Dromos is in de Egyptische mythologie de door sfinxen geflankeerde weg naar de tempel.

Aan het interpreteren van zijn werk heeft Neo Rauch een grote hekel en het doet zijn kunst ook geen recht. Hij zit als kunstenaar nu eenmaal in de positie om een sfinx te zijn. Het avontuur en het genoegen van het kijken naar het werk van Neo Rauch zit er dan ook vooral in om het te ondergaan, meer op je gevoel te vertrouwen dan op je kennis en inzicht. Niet vaak zien we nog kunst waarin het raadsel de hoofdrol speelt. Oog in oog met dat raadsel staan, is de beste manier om het oeuvre van Neo Rauch te ervaren. Er is genoeg waar we iets mee kunnen, de mensfiguren in historische kleding, de verwijzingen naar de Europese geschiedenis, de politiek, de kunst- en literatuurgeschiedenis. Neo Rauchs eigen voormalige Oost-Duitse wereld schemert door alles heen.

Voor Neo Rauch gaat het uitsluitend om het beeld als zelfstandig fenomeen. Hij zegt zijn dromen als inspiratiebron te nemen en zoals in dromen en fantasie alles mogelijk is, zo is de figuratie van zijn werk één en al verbeelding. Uit deze verbeelding is het weefsel van zijn droomwerkelijkheid opgebouwd. Als kijker nemen we de weg naar zijn kunsttempel, terwijl de sfinxen links en rechts er het zwijgen toe doen.

‘Dromos’, 65 schilderijen van Neo Rauch. Museum de Fundatie, Zwolle. Open: di t/m zo 11-17 uur. T/m 3 juni. www.museumdefundatie.nl

Deze tekst verscheen eveneens in het Dagblad van het Noorden.

Het trillen van de lucht – Jongkind & Vrienden

Het trillen van de lucht – Jongkind & Vrienden

Visualia 1184 Clair de Lune boven Dordrecht - 1876Johan Barthold Jongkind: ‘Maanlicht boven een gracht in Dordrecht’ (1876).
www.pinterest.nl

(BOS) Tegen middernacht ziet het Wantij bij Dordrecht vanuit de hotelkamer in Villa Augustus er geheimzinnig uit. Maanlicht brengt schitteringen aan over het rimpelende water dat zich uitstrekt tot aan de duistere horizon waar Rotterdam moet liggen. Daar in Dordrecht schilderde Johan Barthold Jongkind (1819-1891) een groot aantal atmosferische maanlichtlandschappen en stadsgezichten. We zien ze op de tentoonstelling ‘Jongkind & Vrienden’ in het Dordrechts Museum, temidden van werk van Franse collega’s als Boudin, Pissarro, Monet en Sisley.

Die maakten vanaf 1846 kennis met Jongkinds Hollandse landschappen, waar ze diep van onder de indruk waren. Later zou een aantal van hen naar Nederland komen om het schilderkunstige geheim ervan te doorgronden, de waterige atmosfeer, het trillen van de lucht in zon- en maanlicht, de pittoreske stadjes waaronder het rommelig maar schilderachtig gebouwde Dordrecht aan het water.

Je zou denken dat Jongkind daar in nachtelijke uren zijn maanlichtlandschappen zat te schilderen. Maar hij had van zijn beroemde leraar Andreas Schelfhout geleerd dat je buiten tekent, maar binnen dient te schilderen. Zijn landschappen ontstonden dus allemaal in het atelier.

Naast de maanlichtlandschappen hangen de Franse schilderijen van Jongkind van Normandië en Parijs. Je zou verwachten dat hij daarin de stijl van zijn Franse collega’s had overgenomen, maar het was juist andersom. Zijn steeds lossere toets werd een voorbeeld voor de realistisch schilderende Fransen. Maar ook zijn voorkeur voor alledaagse taferelen werd nagevolgd. Die rare Jongkind schilderde namelijk geen hoogverheven taferelen, maar de veranderingen die in Parijs plaatshadden, zoals de afbraak van de oude buurten en de bouw van de brede boulevards. Hij schilderde de werkzaamheden aan de zanderige Seineoevers die in geplaveide kades veranderden.

Zijn Franse vrienden namen ook zijn atmosferische toets over, de schitteringen van zonlicht in water en lucht in toetsjes en veegjes die alles doen tintelen. Monet die pas in in 1872 zijn ‘Impressie van een zonsopgang’ schilderde en daarmee de aanzet tot het Impressionisme zou hebben gegeven, schreef dat Jongkind zijn ware leermeester was. ‘Aan hem heb ik heb ik de definitieve vorming van mijn manier van kijken te danken.’

Op de tentoonstelling in Dordrecht, maar ook in het Amsterdamse Van Gogh-museum op de expositie ‘Nederlanders in Parijs 1789-1914’ zie je dat met je eigen ogen gebeuren. Het is dé verrassing op beide tentoonstellingen. Wat is immers Franser dan het Impressionisme? Laat dat nou juist een Hollandse uitvinding zijn.

‘Jongkind & Vrienden’. Dordrechts Museum, Dordrecht. T/m 27 mei 2018 www.dordrechtsmuseum.nl
‘Nederlanders in Parijs 1789-1914. Van Gogh Museum, Amsterdam. T/m 7 januari 2018. www.vangoghmuseum.nl

Alles is bezield

Alles is bezield

rosa loy Im Holz (In the Wood) 2010, caseïne op doek
Rosa Loy: Im Holz (In the Woods) 2010 – caseïne op doek.

(BOS) De Duitse beeldend kunstenaar Rosa Loy (Zwickau, 1958) wijdt zich aan het mysterie vrouw, zoals ze het zelf omschrijft. In haar schilderijen beeldt ze uitsluitend vrouwen uit, die staan of zweven of elkaar omstrengelen. Haar werk is vol symboliek, vaak met bloemen en planten die verraden dat ze evenals als haar ouders, ooit hovenier is geweest. Haar eigen tuin is dan ook een belangrijke inspiratiebron. Haar moeder was als schilder een rolmodel voor haar kunstenaarschap.

De naam Rosa Loy deed bij mij geen lampje branden, maar in Duitsland wordt ze samen met haar echtgenoot, de beroemde schilder Neo Rauch, gezien als een sterrenpaar op het gebied van de eigentijdse kunst. Hun werk wordt bejubeld, hun foto’s en interviews verschijnen in ontelbare kranten en magazines.
Mooie mensen om te zien, interessante mensen door wat ze vertellen over elkaar en hun werk. Soms schilderen ze samen aan één schilderij of schenken elkaar hun schilderijen. Evenals Neo Rauch schildert Rosa Loy verontrustende, surreële en symbolische voorstellingen in een stijl die tot de Neue Leipziger Schule behoort, figuratief, allegorisch en met nadrukkelijke abstracte elementen.

Ze werken in hun aanpalende ateliers in een oude katoenspinnerij in Leipzig en komen geregeld bij elkaar langs om elkaars werk te becommentariëren, ‘om er de final touch aan te verlenen’, zoals Neo Rauch dat noemt. Van concurrerende gevoelens hebben ze geen last.

De onderwerpen en de stijl van Rosa Loy doen enigszins denken aan het werk van Frida Kahlo, in de vrouwenthema’s en de raadselachtige symboliek. De idyllische manier waarop ze vrouwen vormgeeft wekt associaties met die van Leonor Fini. Voor haarzelf zijn Italiaanse fresco’s een bron. Balthus noemt ze ook. Maar ze staat open voor alle belangrijke beeldende kunstvormen. Het werk van Rosa Loy is krachtig, licht, omvattend en bevat veel humor. Ze noemt zachtheid, meegevoel en hulpvaardigheid als belangrijke vrouwelijke eigenschappen, wat je terugziet in haar zachte kleurenpalet, opgebouwd uit melkeiwit en pigment. In de voormalige DDR waar ze opgroeide, werden jongens en meisjes gelijkgeschakeld wat haar juist nieuwsgierig maakte naar wat de verschillen zijn. Vanaf dat moment deed ze via haar schilderijen en onderwerpen onderzoek naar vrouwelijkheid. De magische uitstraling van haar werk verklaart ze als: ‘Alles is bezield.’
Ze is in de hele wereld bekend, maar niet in ons land. Het Drents Museum in Assen opent echter op 24 september de prachtige tentoonstelling ‘Bilder Bergen’, een uitgebreide presentatie van het werk van Rosa Loy.

(Dit artikel is als column geplaatst in het september/oktober nummer 2017 van de KunstKrant no 5).

De tweeling in ons zelf

De tweeling in ons zelf

LAmant_Double-2
Marine Vacth als Chloë en Jeremy Renier (psychiater Paul en psychoanalyticus Louis) in ‘L’amant double’ van Francois Ozon.

(BOS) De Franse cineast Francois Ozon (Parijs, 1967) is een groot liefhebber van de macabere, psychologische thrillers van David Cronenberg. Daarom is het niet vreemd dat zijn film ‘L’amant double’ die begin dit jaar tijdens het Filmfestival Cannes in première ging veel overeenkomsten vertoond met Cronenbergs ‘Dead Ringers’ uit 1989. Daarin gaat het om een vrouw die niet weet dat haar gynaecoloog met wie zij een relatie krijgt een duistere tweelingbroer heeft die ook gynaecoloog is. Daarover gaat L’amant double, alleen is de tweelingbroer respectievelijk een psychotherapeut en een psychoanalyticus.

Het is een beetje jammer dat de focus van pers en publiek op Ozon’s nieuwste film zo sterk op de veelbesproken scène aan het begin is komen te liggen, waarin de camera close up het verwijderen van een speculum uit de vaginale schede laat zien, waarna de vagina zelf onmiddellijk overvloeit in het betraande oog van de hoofdrolspeelser, Marine Vacth als de jonge vrouw Chloë. Daardoor is nadruk op de sensatie van dit nooit eerder in een film vertoonde shot komen te liggen en niet op de symbolische betekenis ervan. Het is juist een prachtige, poëtische beeldsequentie die later herhaald wordt in een shot van een wenteltrap en in een beeld van de keelholte, en onmiddellijk het talent van Francois Ozon onthult.

Chloë laat zich onderzoeken omdat ze vage buikklachten heeft, die vermoedelijk psychosomatisch zijn. Daarom gaat ze naar een psychiater (Jeremy Renier) een belandt dan in een labyrint van spiegels en spiegelingen. De buik en seksualiteit spelen niet alleen een belangrijke rol in de film, maar ook in de klassieke psychoanalyse. Het speculum aan het begin betekent bijvoorbeeld ‘spiegel’ en dat is meteen de kern van de film, evenals het spiegelen binnen een therapeutische relatie die al spoedig overgaat in een fysieke. Ook de spiegels in de wachtkamer van de psychoanalyticus, de ramen en ruiten die Chloë maar ook Paul, haar therapeut, verdubbelen of verveelvoudigen. Elk voorwerp komt wel twee keer in een scène voor, de psychoanalyticus heeft twee ‘divans’ in zijn behandelkamer. Als Chloë als suppoost in een museum werkt, zien we steeds ter weerszijde van haar een vrijwel identiek kunstwerk. Kortom, Ozon deed er alles aan om tot in de finesses het spiegelthema door te voeren. Dat zorgt er voor dat de film na ongeveer de helft inzakt. Veel is een herhaling van wat eerder getoond werd, iets dat in de film van Cronenberg ook negatief uitpakte.

L’amant double is voor een deel een briljante film, een mix van horrorfilm en erotische psychothriller met prachtige beeldritmes en herhalingen. De scènes zijn evenals de hoofdrolspeelster prachtig, maar tegelijkertijd clean en afstandelijk. Marine Vacth ziet er, anders dan in haar rol van zich prostituerende tiener in ‘Jeune et Jolie’ van Ozon uit 2013, uit als een fotomodel, niet als een echt warme, hartstochtelijke vrouw, ondanks dat ze zich in een expliciet gefilmde sadomasochistische relatie stort met haar analyticus.
Een film propvol Freudiaanse symboliek, is overal opgemerkt. Wat niet helemaal klopt. Het is juist de Franse versie van de invloedrijke psychoanalyticus Jacques Lacan (1901-1981), die het begrip ‘spiegelstadium’ invoerde, die Ozon in zijn film verwerkte, de rol van de spiegel en spiegeling in onze vroegste jeugd voor het vormen van onze identiteit.
Dat Ozon dat gegeven in zijn film op den duur zo uitvergroot dat alles over de top raakt, kun je als een interessant experiment beschouwen. Maar wanneer tegen het einde ieder personage zijn eigen tweeling blijkt te zijn en gevangen zit in een web van spiegelingen, is de spanning weggeëbd en het thema te ongeloofwaardig geworden.

Aardig bij dit gespleten tweelingmotief is natuurlijk dat de Engelse schrijver Robert L. Stevenson al in 1886 het spiegelthema in verband met onze identiteit uitwerkte in zijn beroemde horrorroman ‘Strange Case of Dr Jekyll and Mr.Hyde.’ Dat gaat over een fatsoenlijke arts-onderzoeker en zijn spiegelpersonage, een primitieve, gewelddadige en monsterachtige versie van hemzelf. Het blijft intrigeren, het verschijnsel tweeling, evenals de vraag wie wij zijn en het merkwaardige vermoeden of verlangen van veel mensen dat er rudimentair een tweeling in hen huist.

(Eric Bos was in de jaren ’80 en ’90 lid van de KNF, de Kring van Nederlandse Filmjournalisten)

 

Een lust voor het oog

Een lust voor het oog

Visualia 1171 Soo Joo Park
Het Koreaanse topmodel Soo Joo Park in een lasercut metaal creatie van Iris van Herpen tijdens de Fashion Week in Parijs afgelopen maand. Copyright: First Post/Reuters

(BOS)In vijf grote aquaria zitten Deense muzikanten met een instrument. Chinese gongs, een glasharmonica, een viool. Via onderwater-microfoons horen we ijle, gesmoorde klanken. Mysterieus en melancholiek. Met enige regelmaat komen de muzikanten lucht happen, zoals goudvissen dat doen. Een bijzondere ervaring, maar daar kwam het publiek niet voor. Tussen de aquaria werd vorige maand tijdens de Fashion Week in Parijs de met grote spanning verwachte Haute Couture Collection Show 2017/2018 van de Nederlandse Iris van Herpen getoond. Negentien jurken die eigenlijk geen jurken zijn, maar ‘uitvindingen’ in vorm en materiaal.

Iris van Herpen (Wamel, 1984) had in 2012 een opzienbarende tentoonstelling in het Groninger Museum met kledingontwerpen in de vorm van uitwendige skeletten. Daarmee liet ze zien hoe ze bezig is om andere vormen en nieuwe materialen te testen. Vorig jaar kreeg ze het Cultuurfonds Mode Stipendium uitgereikt, de belangrijkste prijs in modevormgeving. Tijdens het Metropolitan Museum of Art’s ‘Manus x Machina’ 2016 liet ze wetenschap, kunst en ‘levende kleding’ samengaan. In dat opzicht is ze meer een beeldend kunstenaar dan een couturier.

De wereld van de haute couture kijkt vol verbazing naar een topkunstenaar die zich volledig heeft losgeschud van tradities en modes. Het is ongelooflijk als je haar bezig ziet met een grote mate van ambachtelijkheid en het gebruik van bijvoorbeeld PETG (polyethyleentereftalaat) of het aanbrengen van iridiscerende folie op doorzichtige tule of organza. Ze is bijvoorbeeld ook de eerste couturier die met een 3D printer werkt. Op YouTube zijn fascinerende filmpjes te zien van zulke maakprocessen.

Voor het publiek gaat het natuurlijk om het resultaat. Dat is verbluffend. De ontwerpen die in Parijs werden geshowd doen nog het meeste denken aan vissenhuiden, aan sluierstaarten die tijdens het voortbewegen in denkbeeldig water golven. Glanzende stoffen van ijl materiaal dat soms als een wolk om de modellen zweeft. Dat ogenschijnlijk gewichtloze (sommige jurken wegen in werkelijkheid 15 kilo) en dansante bepaalt voor een belangrijk deel de magie van deze ontwerpen. Bijzonder vrouwelijk, sensueel en betoverend zijn ze, zoals ze het lichaam van de modellen doet uitvloeien in subtiele, beweeglijke vormen in de ruimte. Een lust voor het oog.

Dat is nog lang niet het eindpunt. Volgens Vogue Nederland is Iris van Herpen intussen alweer bezig met het uitvinden van een onzichtbaarheidsmantel door middel van het buigen van lichtgolven.

De spectaculaire show van Iris van Herpen is op YouTube te zien: Iris Van Herpen | Haute Couture | Fall/Winter 2017/18) Over de voorbereidingen en de techniek: op haar website www.irisvanherpen.com het onderdeel: Iris van Herpen | Aeriform | Behind the scenes

(Deze tekst werd eerder gepubliceerd als Visualia 1171 in het Dagblad van het Noorden van 18 augustus 2017)

 

Op de huid

Op de huid

Une vie
Judith Chemla als Jeanne en Swann Arlaud als Julien in ‘Une vie’ van Stéphane Brizé. copyright: allocine.fr

(BOS) Het meest opvallend aan de film ‘Une vie’ van Stéphane Brizé is het beeldformaat. Dat is bijna vierkant, zoals we dat kennen uit de periode van de stomme film waar geen hedendaags bioscoopdoek meer op ingesteld is. Dat bleek ook tijdens de vertoning in ‘Images’ in Groningen, waar het zwarte kader links en rechts noodgedwongen ontbrak zodat het beeld niet mooi scherp was begrensd. Gelukkig had Brizé de bedoeling om ons als kijkers zo dicht mogelijk op de huid van de scène en de personages te drukken. Zozeer zelfs dat je als het ware wordt opgenomen in de intimiteit tussen de personages, bij het kussen, het vrijen, het ruzie maken. Waardoor bijvoorbeeld de verbale agressie van Julien, de echtgenoot van Jeanne, tegen zijn vrouw ook bij ons hard aankomt. Alsof niet alleen Jeanne maar ook wij midden in een storm van onbeheersbare woede terecht zijn gekomen. Zoals we ook bijna de huid van Julien en Jeanne voelen, zo close beweegt de camera zich langs hun gezichten als Jeanne door Julien in een uitgesponnen scène wordt ‘genomen’. We zien en ervaren de angst en onzekerheid van Jeanne of ze dit wel fijn moet vinden of dat het een fysieke inbreuk op haar onervaren persoon is.

‘Une vie’ is een filmadaptatie van de roman ‘Une vie ou l’humble vérité’ (Een leven of een schamele waarheid) uit 1883 van de Franse schrijver Guy de Maupassant wiens oeuvre, los van een hoeveelheid scabreuze verhalen, uit naturalistische romans over vrouwenlevens bestaat. ‘Une vie’ beschrijft dertig jaar van het leven van Jeanne (Judith Chemla) en speelt zich af aan de Normandische kust waar de natuur een grote rol speelt, wat in de film sfeervol wordt uitgebeeld in lange shots van de zee waar Jeanne urenlang naar kan zitten kijken.

Jeanne is een wat kinderlijke, naïeve vrouw, deels grootgebracht in een klooster. Ze heeft als koppig persoon geduldige, meegaande ouders. Julien (Swann Arlaud) is een onbetrouwbare losbol, uit op de familiebezittingen van Jeanne. Hij bezwangert dienstmeisje Rosalie al voordat hij met Jeanne feitelijk getrouwd is en blijft Jeanne bedriegen. Van liefde voor haar is al gauw weinig sprake.
Rosalie is met Jeanne opgegroeid, ze zijn beide even oud en beschouwen elkaar bijna als vriendinnen. Dat Rosalie een dochtertje van Julien krijgt – Jeanne zal niet veel later van een zoontje bevallen – is dan ook een grote schok. Ook voor de familie, ook voor de kerk die een grote rol speelt in hun levens. De waarheid waar het in de oorspronkelijke titel om gaat, heeft in de ogen van de fanatieke priester bijna Oud-Testamentische proporties, maar blijkt slechts de schamele waarheid van het menselijk onvermogen te zijn. Als Julien ook nog met de vrouw van een bevriende familie in bed duikt, staat de waarheid zo hoog in het vaandel van de priester dat hij Jeanne min of meer dwingt om de bedrogen echtgenoot van het overspel op de hoogte te stellen. Het niet vertellen van de waarheid is immers een verraad aan God, de grootste zonde.
Wat Jeanne vreest, gebeurt. Het verandert haar leven volledig. Als de ouders zijn gestorven, keert Rosalie jaren later terug naar het landgoed waar Jeanne alleen en berooid woont.

‘La vie’ is een tamelijk larmoyante, typisch katholieke geschiedenis over onschuld, schuld en kleinmenselijke bekrompenheid die kenmerkend is voor de 19de-eeuwse romancultuur. In 1957 vond al een mooie, klassieke verfilming plaats door de Franse cineast Alexandre Astruc met Maria Schell in de rol van Jeanne. Stéphane Brizé stond echter een heel andere aanpak voor ogen. Hij dwingt ons met zijn benauwde beeldkader intieme getuigen te zijn, zodat de opgeslotenheid van Jeanne voelbaar wordt. Alsof wij toeschouwers zelf Jeanne zijn.
Door de trage verteltrant, de lang uitgesponnen scènes, de stiltes die er vallen, word je als het ware opgenomen in een ander tijdsverloop, een andere manier van voelen en denken, al is alles tegelijkertijd heel vertrouwd omdat verlangen, verlies, hoop en teleurstelling van alle tijden zijn. De flashbacks van Jeanne zijn herinneringen aan gelukkiger tijden en helpen haar het leven te overleven. Ze vloeien als het ware uit de actuele gebeurtenissen tevoorschijn. Soms zijn ze geluidloos om te benadrukken dat het inderdaad herinneringen aan gelukkige momenten zijn, die als tegenwicht dienen voor het ongelukkige leven van Jeanne.
Deze mooie, heel zorgvuldig opgebouwde en poëtische manier van vertellen door middel van beelden is een van de grootste kwaliteiten van ‘Une vie’.

 

De laatste sluier

De laatste sluier

Salome Foto Baus
Malin Byström als Salome in de gelijknamige opera van Richard Strauss door
de Nationale Opera.  Foto: Clärchen&Matthias Baus

(BOS) Er zijn van die operauitvoeringen die historie schrijven. ‘Salome’ van Richard Strauss door De Nationale Opera met het Concertgebouworkest onder leiding van chef-dirigent Daniele Gatti is zo’n historisch moment. Het verhaal is bekend, Salome is het synoniem voor het ultieme kwaad. Weinig vrouwen uit de cultuurgeschiedenis zijn zo vaak afgebeeld en uitgebeeld als Salome, want een 16-jarige verpersoonlijking van boosaardige, vrouwelijke verleiding spreekt enorm tot de verbeelding. Daarbij schokkend, zeker voor het publiek in de tijd van toneelschrijver Oscar Wilde en Richard Strauss. Salome was immers de bijbelse vrouw die, o gruwel, het hoofd van Johannes de Doper opeiste om er mee te vrijen.

Wie gewend is aan horrorfilms of aan series als ‘Game of Thrones’ kijkt nergens meer van op. Maar Salome als opera is wel even wat anders. Dat is behalve pervers drama over incest en necrofilie, een muzikale belevenis van de hoogste orde. Uitgevoerd door een orkest en dirigent die er voor zorgen dat het drama en de schokmomenten vooral uit de orkestbak komen zodat de gebeurtenissen op het toneel, in de regie van Ivo van Hove, danig worden versterkt. Alle verlangens, verleidingen, verschrikkingen en angsten krijgen door de muziek van Richard Strauss een bijna ondraaglijke betekenis. Daniele Gatti leidt zijn orkest krachtig, ingehouden, mysterieus en exuberant naar het dramatische hoogtepunt.
Salome is dit keer geen donkerharige schoonheid, maar de Zweedse, hoogblonde sopraan Malin Byström die Salome voor de eerste keer zingt. De vanzelfsprekendheid waarmee ze haar prachtige en krachtige stem boven het orkestgeweld uit laat klinken, is fenomenaal.

Bij Oscar Wilde is Salome een radeloos en in wezen angstig mensenkind, slachtoffer van incest, eenzaamheid en een manipulerende moeder en stiefvader. Strauss heeft dat heel goed aangevoeld. Zijn muziek is daardoor een vorm van psychoanalyse, waarin het karakter van Salome wordt ontleed en geduid. Het gaat minder om het lichamelijke, maar om het psychische drama. Malin Byström doet vervolgens een onvolkomen, bijna ontroerende poging tot erotisch bewegen, tijdens de beroemde sluierdans. Een zware opgave. Het lukt haar bij vlagen, de dans duurt tien minuten, maar soms ook niet. Salome gaat weliswaar over erotiek, maar in wezen om wat erachter schuilt. De laatste sluier onthult juist haar hoofd, niet haar naaktheid. Bij dat alles volgt de maan op het minimalistische achterdoek haar baan, kleurt bloedrood als Salome het hoofd van Jochanaan (Johannes de Doper) eist, en verandert tot slot in een schrikwekkende maansverduistering.

‘Salome’, een Holland Festivalproductie door de Nationale Opera m.m.v. het Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti is in het Amsterdamse Muziektheater nog te zien op dinsdag 27 juni (20 uur), zondag 2 juli (14 uur) en woensdag 5 juli (20 uur).

Deze tekst werd eerder geplaatst in het
Dagblad van het Noorden, 23 juni 2017